Pestprotocol Mollerlyceum & ZoomMAVO

Voorwoord
Een van de uitgangspunten van onze leerlingbegeleiding is “leren en je prettig en veilig voelen op school, horen bij elkaar”; we zeggen ook wel “zonder relatie geen prestatie”. We spreken hiermee heel duidelijk uit dat we al onze leerlingen een veilig pedagogisch klimaat willen bieden waarin zij zich harmonieus kunnen ontwikkelen en waarin goede leerprestaties mogelijk zijn. Al onze  medewerkers bevorderen deze ontwikkeling door het scheppen van een open en prettige werksfeer in de klas en daarbuiten. Er is ruimte voor iedereen om zichzelf te zijn zolang dat niet betekent dat de afgesproken regels overtreden worden of dat iemands persoonlijke grenzen overschreden worden. Pesten betekent dat iemands grenzen overschreden worden en dat past niet in een prettig
en veilig leef- en leerklimaat.

Dit pestprotocol is geschreven voor de leerlingen, ouders en medewerkers van het Mollerlyceum en de ZoomMAVO. Het geeft het beleid van de scholen weer t.a.v. pesten. Het protocol beschrijft wat we onder pesten verstaan, hoe pesten voorkomen kan worden en wat de aanpak is als er gepest wordt. Het hoofddoel van het protocol is het voorkomen en bestrijden van pesten door alle
betrokkenen duidelijkheid te geven over ieders rol. Daarnaast heeft het protocol een informatieve en verwijzende functie.

Uitgangspunten
Dit pestprotocol kan alleen functioneren als aan bepaalde voorwaarden is voldaan:

  • Onze scholen zijn actief in het scheppen van een veilig pedagogisch klimaat waarbinnen pesten als onacceptabel gedrag wordt ervaren.
  • Pesten moet als een probleem worden gezien door alle direct betrokken partijen: docenten, onderwijsondersteunend personeel, ouders en leerlingen.
  • Docenten en onderwijsondersteunend personeel moeten pesten kunnen signaleren en vervolgens duidelijk stelling nemen tegen het pesten.
  • Onze scholen dienen te beschikken over een directe aanpak wanneer het pesten de kop opsteekt.
  • Onze scholen ontplooien preventieve (les)activiteiten.

De vijfsporenaanpak

Onze scholen binden zich door dit pestprotocol aan de vijfsporenaanpak. Dit houdt in:

De algemene verantwoordelijkheid van onze scholen
Onze scholen zorgen dat de medewerkers voldoende informatie hebben over het pesten in het algemeen en het aanpakken van pesten. Onze scholen werken aan een goed
beleid rond pesten, zodat de veiligheid van leerlingen binnen onze scholen zo optimaal mogelijk is waardoor een klimaat ontstaat waarin pesten bespreekbaar gemaakt kan
worden. Alle medewerkers van onze scholen vervullen een voorbeeldfunctie bij het signaleren en tegengaan van pestgedrag.

Het bieden van steun aan de jongere die gepest wordt
Het probleem wordt serieus genomen;

  • Er wordt uitgezocht wat er precies gebeurd is;
  • Er wordt overlegd over mogelijke oplossingen;
  • Het aanbieden van hulp door de mentor, de leerlingbegeleiders, de zorgcoördinator, of de schoolpsycholoog.

Het bieden van steun aan de pester

  • Het confronteren van de jongere met zijn gedrag en de gevolgen hiervan voor de pester;
  • De achterliggende oorzaken boven tafel proberen te krijgen;
  • Wijzen op het gebrek aan empathisch vermogen dat zichtbaar wordt in het gedrag;
  • Het aanbieden van hulp (desnoods verplicht) door de mentor, de leerlingbegeleiders, de zorgcoördinator of de schoolpsycholoog.

Het betrekken van de middengroep bij het pesten
De mentor bespreekt met de klas het pesten en benoemt de rol van alle leerlingen en die van de school hierin. Er wordt gesproken over mogelijke oplossingen en wat de klas kan
bijdragen aan een verbetering van de situatie.

Het bieden van steun aan de ouders

  • Ouders die zich zorgen maken over pesten worden serieus genomen;
  • De school werkt samen met de ouders om het pesten aan te pakken;
  • De school geeft adviezen aan de ouders in het omgaan met hun gepeste of pestende kind;
  • De school verwijst de ouders zo nodig naar deskundige hulpverleners.

De ouders van leerlingen die gepest worden, kunnen er moeite mee hebben, dat hun kind aan zichzelf zou moeten werken. Hun kind wordt gepest en dat moet gewoon stoppen. Dat
klopt, het pesten moet stoppen. Echter, een gepest kind wil zich niet alleen veilig voelen op onze school; hij / zij wil ook geaccepteerd worden. Hij / zij verlangt ernaar om zich prettig en
zelfverzekerder te voelen. Daar kan begeleiding of een (sociale vaardigheids-) training aan bijdragen.

Wat is pesten?

We spreken van pesten als dezelfde persoon regelmatig en systematisch bedreigd en geïntimideerd wordt. Pesten is een vorm van geweld en daarmee grensoverschrijdend en
zeer bedreigend.
Over de redenen waarom mensen zich agressief gedragen, bestaan allerlei theorieën. Volgens de ene theorie is geweld een onontkoombaar verschijnsel, dat op zijn best op een
acceptabele wijze kan worden gekanaliseerd, volgens een andere theorie komt geweld voort uit frustratie en kan dit worden voorkomen door ontevredenheid weg te nemen, de agressie
opwekkende omgeving om te vormen en reflectie op het gedrag te stimuleren. Een klimaat waarin gepest wordt, tast iedereen aan. In een klas waar gepest wordt, kunnen
alle leerlingen en docenten slachtoffer worden. Pestgedrag moet dan ook door iedereen serieus worden genomen. Het lastige is dat veel pestgedrag zich in het verborgene afspeelt,
zodat het moeilijk is om er greep op te krijgen. En zelfs als het pestgedrag wordt opgemerkt, weten omstanders niet altijd hoe ze ermee om kunnen gaan. Dat is ook de reden van dit
pestprotocol.
Docenten en onderwijsondersteunend personeel hebben echter een taak (samen met de ouders en de leerlingen zelf) bij het tegengaan van pesten. Leerlingen moeten weten dat ze
hulp kunnen krijgen van volwassenen in de school en hierom durven vragen. Volwassenen dienen oog te hebben voor de signalen van leerlingen. Ze dienen interesse te tonen en te
luisteren naar wat de leerlingen te vertellen hebben.
Voor mentoren betekent dit dat ze groepsgesprekken houden, aandacht hebben voor de groepssfeer en het functioneren van individuele leerlingen in de groep. Ze maken afspraken met de klas en zorgen ervoor dat deze afspraken nagekomen worden.

 

Hoe wordt er gepest?

Met woorden

  • vernederen;
  • belachelijk maken;
  • schelden;
  • dreigen;
  • met bijnamen aanspreken;
  • gemene briefjes;
  • digitaal pesten.

Lichamelijk

  • trekken aan kleding;
  • duwen en sjorren;
  • schoppen en slaan;
  • krabben en aan haren trekken;
  • wapens gebruiken.

Achtervolgen

  • opjagen en achterna lopen;
  • in de val laten lopen;
  • klem zetten of rijden;
  • opsluiten.

Uitsluiting

  • doodzwijgen en negeren;
  • uitsluiten van feestjes;
  • bij groepsopdrachten.

Stelen en vernielen

  • afpakken van kledingstukken, schooltas, schoolspullen;
  • kliederen op boeken;
  • banden lek prikken, fiets beschadigen.

Afpersing

  • dwingen om geld of spullen af te geven;
  • het afdwingen om iets voor de pestende leerling te doen.

Cyberpesten

  • anonieme berichten versturen via chat, ecard en/of telefoon;
  • schelden, roddelen, bedreigen;
  • foto’s van mobieltjes en webcam op internet plaatsen;
  • privégegevens op een site plaatsen;
  • wachtwoorden en credits stelen en misbruiken;
  • haatprofielen aanmaken;
  • virussen sturen;
  • happy slapping.

Cyberpesten

Effecten van cyberpesten
De effecten van cyberpesten kunnen langduriger en wijder verspreid zijn dan bij traditioneel pesten. Opnames die via de webcam worden gemaakt, worden vastgelegd door een ander.
Deze opnames verdwijnen nooit meer. Over de hele wereld kan een foto op een site staan. Foto’s die eenmaal op internet staan zijn soms niet meer te verwijderen.

Hoe kun je cyberpesten voorkomen?
Voorop staat: helemaal voorkomen kun je het niet. Je kunt er wel voor zorgen dat leerlingen, ouders en medewerkers zoveel mogelijk op de hoogte zijn, zodat de kans dat een
pestsituatie uit de hand loopt minimaal wordt:

  1. We maken leerlingen bewust van de gevaren op internet, de effecten van cyberpesten en de strafbare feiten.
  2. We spreken met de leerlingen over hun internetgedrag en maken samen met de leerlingen regels hierover.
  3. We maken pesten bespreekbaar in de klas en moedigen leerlingen aan elkaar daarop aan te spreken.
  4. We passen het pestprotocol consequent toe.
  5. We leiden alle medewerkers in onze school op, zodat hun kennis up to date is.
  6. We informeren ouders op een informatie- of ouderavond. Ouders zijn over het algemeen niet goed op de hoogte van wat hun kind op internet doet. Alleen door met
    de ouders samen te werken, is digitaal pesten aan te pakken.

Hoe pakken we cyberpesten aan?

Voorbeeld 1: Een blootfoto van een leerling is op het internet geplaatst.

  • We luisteren naar de leerling.
  • We tonen begrip en veroordelen niet.
  • We nemen contact met de ouders op.
  • We melden het bij de teamleider.
  • We adviseren ouders aangifte bij de politie te doen.

Voorbeeld 2: Een leerling wordt steeds lastig gevallen (stalking).

  • We leren de leerling assertief te zijn: nee zeggen, contact afsluiten.
  • We leggen de leerling uit waarom niet in te gaan op de stalker.
  • We brengen de ouders / verzorgers op de hoogte.
  • We adviseren de ouders en de leerling om bewijslast te verzamelen.
  • We adviseren de ouders aangifte bij de politie te doen.

Voorbeeld 3: Over een leerling wordt geroddeld via de chat.

  • We geven steun aan de leerling en luisteren naar hem / haar.
  • We adviseren de leerling berichten te bewaren en op te slaan.
  • We spreken de pesters aan.
  • De mentor voert eventueel een klassengesprek.
  • We nemen contact met de ouders / verzorgers op.

Tussen plagerij en pesten loopt een diffuse grens, die voor ieder persoonlijk verschillend is. Iedereen is gerechtigd zelf aan te geven wat hij als acceptabel beschouwt.

Achtergrond pesten

De gepeste leerling
Sommige leerlingen lopen meer kans gepest te worden dan anderen. Dat kan met hun uiterlijk, gedrag, gevoelens en sociale uitingsvormen te maken hebben. Bovendien worden
kinderen pas gepest in situaties, waarin pesters de kans krijgen om een slachtoffer te pakken te nemen, dus in onveilige situaties.
Een kind dat wordt gepest, praat er thuis en op school niet altijd over. Redenen hiervoor kunnen zijn:

  • Schaamte.
  • Angst dat de ouders met de school of met de pester gaan praten en dat het pesten dan nog erger wordt.
  • Het probleem lijkt onoplosbaar.
  • Het idee dat je niet mag klikken.

De pester
Pesters zijn vaak de sterkeren in hun groep. Zij zijn of lijken populair, maar zijn dat uiteindelijk niet. Ze dwingen hun populariteit af door stoer en onkwetsbaar gedrag. Van
binnen zijn ze vaak onzeker en proberen ze zichzelf groter te maken door een ander kleiner te maken. Pesters krijgen vaak andere kinderen mee, want wie meedoet, loopt zelf de
minste kans om slachtoffer te worden. Doorgaans voelen pesters zich niet schuldig, want het slachtoffer vraagt er in hun ogen immers om om gepest te worden. Daarnaast hebben
pesters vaak ook een positieve blik op het gebruik van geweld.

Oorzaken pesten

  • Een vaak gevoelde anonimiteit (ik besta niet); als een pester zich verloren voelt binnen een grote groep, kan hij zich belangrijker maken door een ander omlaag te drukken.
  • Het moeten spelen van een niet-passende rol.
  • Een voortdurende strijd om de macht in de klas.
  • Een niet-democratisch leefmilieu binnen de school; iemand is autoritair en laat op een onprettige wijze blijken dat hij de baas is.
  • Dergelijke spanningen kunnen op een zondebok worden afgereageerd.
  • Een gevoel van incompetentie op school (slechte cijfers of een laag niveau).
  • Een zwak gevoel van autonomie (te weinig zelfstandigheid en verantwoordelijkheid) of juist een te sterk gevoel voor autonomie.
  • Een negatief zelfbeeld, weinig eigenwaarde.
  • Een problematische thuissituatie, negatief voorbeeldgedrag van ouders/verzorgers.

De meelopers
Meelopers zijn omstanders die incidenteel actief of passief meedoen met het pesten. Dit gebeurt meestal uit angst om zelf in de slachtofferrol terecht te komen, maar het kan ook zo
zijn dat meelopers stoer gedrag wel interessant vinden en dat ze denken in populariteit mee te liften met de pester. Verder kunnen leerlingen meelopen uit angst vrienden of
vriendinnen te verliezen.
De meeste leerlingen houden zich afzijdig als er wordt gepest. Ze voelen zich wel vaak schuldig over het feit dat ze niet in de bres springen voor het slachtoffer of hulp inschakelen.
Het is belangrijk deze leerlingen tot helpers te maken.

Het aanpakken van pesten

Pesten is onacceptabel en vraagt om een duidelijke en krachtige reactie vanuit onze school. De grote vraag is hoe dat het beste kan en vooral ook hoe we dat binnen onze school en het
team het beste kunnen aanpakken. Pesten kan grote gevolgen hebben voor de gepeste (onzekerheid, faalangst, depressie, zelfdoding) en de pester (problemen met sociale relaties, positief tegenover het gebruik van geweld en een grotere kans in het criminele circuit terecht te komen).

Preventieve maatregelen

  • Elke mentor bespreekt aan het begin van het schooljaar de algemene afspraken en regels in de klas. Het onderling plagen en pesten wordt hierbij genoemd en onderscheiden. Tevens bespreekt de mentor in zijn klas het pestprotocol. Ook wordt duidelijk gesteld dat pesten altijd gemeld moet worden en niet als klikken maar als hulp bieden of vragen wordt beschouwd.
  • In alle leerjaren wordt aandacht besteed aan pesten in één of meerdere mentorlessen. De leerlingen ondertekenen aan het eind van deze les(sen) een aantal samen gemaakte afspraken (zie voorbeeld in onderstaand kader). Dit voorbeeld dient als basis en kan per klas/leerjaar aangepast worden.
  • Indien een mentor of docent daartoe aanleiding ziet, besteedt hij expliciet aandacht aan pestgedrag in een groepsgesprek. Hierbij worden de rol van de pester, het slachtoffer, de meelopers en de stille getuigen benoemd.
  • Van de gesprekken met pester(s) en gepeste(n) worden door de mentor notities in Magister gemaakt bij de betreffende leerlingen.

Veilig in school
Ik vind dat iedereen zich veilig moet voelen in school. Daarom houd ik mij aan de volgende afspraken:

  1. Ik accepteer de ander zoals hij is en ik discrimineer niet.
  2. Ik scheld niet en doe niet mee aan uitlachen en roddelen.
  3. Ik blijf van de spullen van een ander af.
  4. Als er ruzie is, zoek ik iemand die de ruzie helpt op te lossen.
  5. Ik bedreig niemand, ook niet via de sociale media.
  6. Ik neem geen wapens of drugs mee naar school.
  7. Ik gebruik geen (digitaal) geweld.
  8. Als iemand mij hindert, vraag ik hem of haar duidelijk daarmee te stoppen.
  9. Als dat niet helpt, vraag ik een docent of mijn mentor om hulp.

Stappenplan

Het stappenplan na een melding van pesten

A. De mentor

  1. Wanneer het pesten plaatsvindt in klassenverband, praat de mentor eerst met de gepeste en later met de pester apart. Een leidraad voor deze gesprekken is te vinden in bijlage I en II. Vervolgens organiseert de mentor een gesprek tussen beide leerlingen en probeert tot goede afspraken te komen.
  2. De mentor neemt contact op met de ouders van de pester en de gepeste en betrekt hen bij de oplossing.
  3. De mentor bespreekt direct het vervolgtraject indien het pesten zich herhaalt.
  4. De mentor praat met de klas. Dit is belangrijk in verband met het herstellen van de groepssfeer en om te benadrukken welke verantwoordelijkheid ieder groepslid heeft.
  5. Indien het probleem escaleert, meldt de mentor het gedrag aan de teamleider/coördinator van de leerling(en). Hij kan in Magister zien wat er gebeurd is en welke afspraken zijn gemaakt.
  6. Indien het probleem escaleert worden de ouders/verzorgers op de hoogte gesteld en betrokken bij het vinden van een oplossing.

B. De teamleider / coördinator

  1. De teamleider/coördinator kan in onderling overleg, de rol van de mentor overnemen bij escalatie van het pestgedrag en wanneer het pesten het klassenverband overstijgt.
  2. Hij heeft zo nodig een gesprek met de gepeste en de pester apart of organiseert direct een gesprek tussen beiden.
  3. In het contact met de pester is het doel drieledig, namelijk: confronteren (zie bijlage II), mogelijke achterliggende problematiek op tafel krijgen en helderheid geven over het vervolgtraject bij herhaling van pesten.
  4. In het contact met de gepeste wordt gekeken of hij bepaald gedrag vertoont, waardoor hij een gemakkelijk doelwit vormt voor pesters.
  5. Hij adviseert zo nodig, zowel aan de pester als de gepeste, hulp op vrijwillige basis door een leerlingbegeleider.
  6. Hij stelt alle betrokken ouders op de hoogte wanneer er sprake is van recidief gedrag, verzoekt hen om met hun kind te praten en stelt hen op de hoogte van het vervolgtraject.
  7. Hij bespreekt de mogelijkheden tot hulp met de ouders.
  8. Hij koppelt alle informatie weer terug naar de mentor.

C. Het pestproject
Wanneer de pester opnieuw in pestgedrag vervalt, wordt hij door onze school ertoe verplicht om individueel een programma te volgen. Dit vindt plaats in de eigen tijd en dus niet tijdens schooltijd. Het doel van dit programma is reflectie en het gevoelig maken van de pester voor wat hij aanricht bij de gepeste leerling. De ouders worden van dit project op de hoogte gesteld en melden aan ons of het programma daadwerkelijk gevolgd wordt.

D. Schorsing
Wanneer het verplichte pestproject geen blijvende vruchten afwerpt, volgt een schorsing van een dag. Als er ook daarna geen verbetering geconstateerd wordt, krijgt de pestende leerling een langere schorsing, dit in overleg met de directie.

E. Doorverwijzing naar Rebound
Wanneer de leerling ondanks alle inspanningen van de betrokken partijen koppig blijft volharden in het ongewenste pestgedrag liggen er op dat moment onvoldoende perspectieven meer tot verandering. Vanuit de verantwoordelijkheid die de school wil en moet nemen voor de veiligheid van de overige leerlingen, rest dan niets anders dan een doorverwijzing naar de lokale reboundvoorziening (opvang voor leerlingen die tijdelijk niet zijn te handhaven op school). Indien nodig wordt er gezocht naar een andere school.

 

De taak van docenten
De docenten hebben vooral een signalerende rol. Wanneer zij pesten waarnemen of redenen hebben om pesten te vermoeden, wordt er van hen verwacht dat zij hierop adequaat reageren en een melding doen bij de mentor om hulp en overleg in gang te zetten.

De rol van de leerlingbegeleider

  • Hij ondersteunt, in overleg met de zorgcoördinator, mentoren tijdens de verschillende fasen in het proces.
  • Hij biedt, in overleg met de zorgcoördinator, op vrijwillige basis individuele begeleiding aan de pester en de gepeste.
  • Hij biedt, in overleg met de zorgcoördinator, een SOVA-training aan.
  • Hij kan een inbreng hebben tijdens de mentorlessen.

Het hierboven weergegeven stappenplan is een algemene leidraad; als een interventie
succes heeft, kunnen vervolgstappen achterwege blijven. Het in het stappenplan genoemde
traject bij aanhoudend pesten is geen automatisme; per leerling wordt bekeken welke
maatregelen het meest passend zijn.